In 2010 voelde een driedaagse tussenstop in Caïro op een EgyptAir-vlucht van Londen naar Johannesburg als het lot dat riep. Ik was altijd gefascineerd geweest door de farao’s, mythen en architectuur van het oude Egypte. Bij het uitstappen uit het vliegtuig echter, de Egypte van mijn verbeelding vrijwel onmiddellijk verdwenen.
In plaats daarvan lag een uitgestrekte, bruine stad vol intense hitte, verval en overweldigende waanzin. Vanaf het moment dat ik het vliegveld verliet, voelde ik me een wandelend doelwit. Elke interactie, van een gedwongen omweg naar een parfumwinkel tot het navigeren door de agressieve markten, voelde als een potentiële oplichterij.
En toen waren ze daar. De Piramides van Gizeh. Ze zijn ongetwijfeld adembenemend. Massiever, majestueuzer, onmogelijker dan welk beeld dan ook zou kunnen vastleggen. Toen ik voor hen stond, voelde ik een oprecht ontzag dat ik nooit zal vergeten. Maar de magie was van korte duur.
Toen hij zich omdraaide, werd het uitzicht gedomineerd door fastfoodrestaurants direct tegenover de Sfinx. De lucht was niet doordrenkt van eeuwenoud mysterie, maar van het geschreeuw van honderden verkopers en de uitlaatgassen van talloze tourbussen. Zelfs de beroemde rivier de Nijl Het bleek een vervuilde stortplaats te zijn, met zo’n stank dat Baby Moses in zijn mandje zou wegrotten.


